Eva van Zelm's Posts (4)

Zhejiang meets Noordwijkerhout

Ouder worden… dat gaat overal op de wereld hetzelfde. Ouderdom komt met gebreken…

En toch gaat het ook overal ter wereld anders.

 

In Nederland kennen we de bejaardenhuizen van vroeger, en tegenwoordig de verpleeghuizen en allerlei andere woonzorgvormen.

In China is het traditie om voor je ouders te zorgen tot ze komen te overlijden. Thuis dus. Respect voor je ouders, en dus als ze ouder worden ook de zorg voor je ouders is, als ik het goed begrepen heb, één van de belangrijkste waarden in China.

Maar door de jarenlange 1-kind politiek in China, lukt het veel kinderen niet meer om voor hun ouders te zorgen. Ze kunnen de zorg niet delen met broers en zussen en moeten zelf werken. De vergrijzing en ontgroening is in China nog een veel groter probleem dan bij ons.

Daarom is men in China aan het nadenken over de vraag hoe ze zorg voor ouderen kunnen organiseren. Daarvoor komen ze in Nederland inspiratie opdoen.

 

Zo kwam het dat op 2 oktober een groep van 15 personen uit de regio Zhejiang naar Munnekeweij in Noordwijkerhout kwam om te kijken hoe wij de zorg voor ouderen organiseren.

Het is leuk om door hun ogen te kunnen kijken naar wat wij doen. Ze stellen veel vragen, uiteraard. Wat doen de vrijwilligers? Hoe organiseer je dat? Wat kost een verpleeghuis? Hoe oud moet je zijn om in een verpleeghuis te mogen wonen? Wie betaalt het? Mag je zelf weten hoe lang je blijft?

 

Ik begreep dat in Zhejiang geen verpleeghuizen bestaan. Ouderen wonen thuis of liggen in het ziekenhuis. En daar mogen ze maar een bepaalde tijd verblijven, dan moeten ze weer naar huis. Er bestaan wel enkele woonzorgvoorzieningen, maar dat moeten mensen helemaal zelf betalen. En dat is voor de meesten niet te doen.

 

We hebben ze Munnekeweij laten zien, ze hebben bewoners gesproken, ze hebben mee gegeten (schorseneren) en we hebben gesproken over de beweging radicale vernieuwing verpleeghuiszorg, van regels naar relaties. Want het zou zonde zijn als bij het ontwikkelen van verpleeghuiszorg in China de mooie Chinese waarden ondergesneeuwd raken door systemen en managementlogica. We hebben ze op het hart gedrukt om bij alles wat ze doen steeds voor ogen te houden waar het om gaat en om wie het gaat.

 

En tussen de bedrijven door heeft Ingrid aangepapt met de leverancier van de Chinese Tena. Binnenkort ontvangen we een sample met Chinees incontinentiemateriaal. Ben benieuwd J

 

 

Lees meer...

Omdat het mensenwerk is

Ik weet nog goed dat ik een paar maanden bij Topaz werkte in mijn rol als ‘projectleider Van Regels Naar Relaties’ in het kader van de beweging Radicale Vernieuwing Verpleeghuiszorg. Op enig moment kwam de manager financiën naar me toe met de volgende mededeling: “Er zijn over jouw project afspraken gemaakt met het zorgkantoor. Dit zijn de zogenaamde addendumafspraken. Dit betekent dat als we deze afspraken nakomen, dat we anderhalf miljoen euro boven op het reeds toegekende budget krijgen. En jij moet binnenkort op deze afspraken rapporteren. Het is belangrijk, want we willen dat geld natuurlijk niet mislopen voor onze bewoners.”

Eh… okee… chill… (voel je ‘m?)

Dus ik kijk naar de gemaakte afspraken. En ik kon ze prima plaatsen. In de tijd dat ze gemaakt waren tenminste... Het waren drie afspraken. Bij twee van de drie afspraken dacht ik: “Volgens mij kijken we hier inmiddels anders naar. Als we de afspraken nu zouden maken, zouden we andere afspraken maken.”

Van Regels Naar Relaties gaat over de goede dingen doen. Niet over afspraak is afspraak. Dus ik bel de financiële manager en stel voor om met het Zorgkantoor in gesprek te gaan over de bedoeling achter de afspraken, hoe deze afspraken daar nu in passen en hoe we hier mee om kunnen gaan. De reactie was als volgt: “Hartstikke goed, maar niet in dit geval. Het gaat om veel geld, dus we moeten die afspraken gewoon nakomen. We gaan hier geen risico lopen. Als het zorgkantoor wil dat we door een hoepeltje springen, dan springen we door een hoepeltje.”

Tja... sta je dan met je goeie gedrag… dus ik bracht nog in: “Ik ben toch van Van Regels Naar Relaties? Dan klopt het toch niet als ik nu maar gewoon die afspraken ga uitvoeren, puur en alleen om het feit dat het afspraken zijn? Ik mag toch aannemen dat de mensen die bij het zorgkantoor werken ook willen dat we de goede dingen doen? En als we inmiddels andere ideeën hebben over wat de goede dingen zijn… dan kunnen we dat toch bespreken?”

Nee dus…

Dus ik belde Lia, de bestuurder: zus en zo is het geval, hoe kijk jij hier naar?

“Mooi”, zegt Lia, “heel goed van je. Laat je niet uit het veld slaan, maak maar een afspraak met het zorgkantoor.” Eind van het liedje: een prima gesprek met Paul van het zorgkantoor, de afspraken opnieuw geformuleerd, nu beter passend, en het budget gekregen.

Wat gebeurde hier? Waarom schoten we in de kramp? Bij navraag in de organisatie blijkt dat we in het verleden weleens de deksel op de neus hebben gekregen, en een paar ton zijn misgelopen. Dat wilden we niet weer… Is het dan puur onze eigen angst?

Nee, onlangs fluisterde Marvin Slik van Zorg en Zekerheid (ons zorgkantoor) mij in dat een aantal jaar geleden de zorgkantoren wel degelijk een hoepeltje hadden. En dat het toch echt de bedoeling was om daar doorheen te springen. Zo gingen we met elkaar om.

Maar tijden veranderen. Er begint op steeds meer plekken het besef te ontstaan dat strak ingeregelde systemen niet per se leiden tot persoonsgerichte zorg. En dat papieren werkelijkheden weinig zeggen over de realiteit. En andersom ontdekken we dat alles wat wij doen mensenwerk is. Ook mijn werk. Ook dat van de zorginkoper. Ook dat van de bestuurder. En dat het veel beter werkt als je als mensen met elkaar samenwerkt. Van Regels Naar Relaties dus. Want ‘het zorgkantoor’ is niemand. Niet iemand die ik kan bellen om even mee te overleggen. Maar Marvin kan ik wel bellen. En Marieke ook inmiddels ook. En Tanja…

Marvin is laatst een dagje met mij mee gelopen. En binnenkort loop ik een dagje met hem mee. Om te gaan zien wat het eigenlijk is wat we doen. Want we staan dan wel bij een andere organisatie op de loonlijst en we hebben een andere rol, maar we werken samen voor hetzelfde doel.

Als we samenwerken tenminste… en daar zit wel de crux. Werk je gewoon als mensen met elkaar samen? Of benader je elkaar vanuit het systeem waarin je zit, de bureaucratie, de regels. Ik heb een hoepeltje, jij moet daar doorheen springen… Of: ik heb een hoepeltje, hoe werkt dat voor jullie? En hoe gaan we hier samen handig en verstandig mee om?

Lees meer...

Over nabijheid, wederkerigheid en poedersuiker

7 september 2017

 

Ik was me vandaag aan het voorbereiden op een presentatie over Van Regels Naar Relaties voor de ondernemingsraad, morgen. Ik wil ze wat vertellen over de aanleiding, de landelijke context, de aanpak en wat we hier bij tegen komen. Daarna wil ik met ze in gesprek over wat zij denken, zien en doen.

Als ik even van m'n plek loop voor een bakkie thee kom ik mevrouw tegen. Ze staat met haar rolstoel ergens halverwege de Tuinkamer (een ruimte van woonzorgvoorziening Topaz Munnekeweij in Noordwijkerhout, waar bewoners dagelijks samen eten) en de lift. Met haar kleindochter.

“Ze moet naar boven”, zegt haar kleindochter. “Iemand ging haar brengen en nu staat ze hier”.
Nou, dat lijkt me een overkomelijk probleem, dus ik biedt aan om mevrouw naar haar kamer te brengen. Ik vraag me wel af waarom haar kleindochter haar niet brengt…
Eenmaal bij haar kamer is de deur op slot. Ik heb geen sleutel. Mevrouw zelf trouwens ook niet. Dat vind ik grappig. Nu moeten we inbreken in haar appartement. Gelukkig is er nooit iemand met een sleutel ver weg.
Op haar kamer vraag ik of ze ook naar de kermis gaat. Ik weet dat een groepje bewoners straks naar de kermis gaat. Collega Ingrid heeft iedereen gemaild om mee te gaan. Ook ‘mensen die achter een bureau zitten’. Daar ben ik er één van. Mevrouw kijkt me aan. Ze heeft prachtige twinkelende ogen.

“Nee”.

“Waarom niet?” vraag ik. Het blijft stil. Dan schieten haar ogen vol en buigt ze haar hoofd. Ik denk wat heb ik nou aan m’n fiets hangen? Ik ga voor haar zitten en vraag wat ze denkt. Ze kijkt me weer aan en zegt: “ik wil niemand tot last zijn.”

Jeetje. Woon je hier, omdat je behoorlijk wat hulp kunt gebruiken, steek je niet je vinger op als gevraagd wordt ‘wie gaat er mee naar de kermis’, omdat je niemand tot last wilt zijn. Ik schiet er ook vol van. Lekker stel. We kennen elkaar vijf minuten, zitten we beide te janken. Nou, dan kunnen we net zo goed met elkaar naar de kermis, nietwaar? Dus ik stel voor om te gaan.

“Nu?” vraagt ze.

“Als je wilt”.

Ik zie haar aarzelen. Ik vraag weer wat ze denkt.

“Alles en niets”.

Eh…okee, wat nu. Ik vraag: “zie je praktische bezwaren?” Het is een beetje een gok, ik kan me er namelijk iets bij voorstellen.

“Ja”, zegt ze.

“Zou je het willen?”

“Ja.”

“Okee. Zijn er dingen die je eerst nog wil doen? Zoals naar de wc? En heb je gegeten?”

“Ik heb gegeten. Ik wil graag naar de wc”

Ik zie dat ze op een tilmat zit. Dat betekent vast dat ze niet zelf naar de wc kan. Ik stel voor om te vragen of iemand haar op de wc kan helpen. Dat is goed.
Terwijl we wachten kijk ik in haar kast of er een warme jas hangt. Het waait buiten best wel en mevrouw heeft geen grammetje te veel. Eerder te weinig. Ze heeft drie jassen! Ik pak ze alle drie en houdt ze voor haar.

“Welke is uw kermisjas?”

Ze moet lachen. “Mooi woord, kermisjas”, zegt ze

Ze kiest de zwarte. Ze pakt een grijze haar van de kraag.
Als ze naar de wc is geweest en haar jas aan heeft gaan we op pad. Op de gang hoor ik iemand vragen of ze niet naar bed gaat?

“Nee, ze wil mee”, zegt haar collega.

Ik denk te merken dat ze zich een beetje zorgen om haar maken. Een collega knielt voor haar neer en zegt: “Je gaat naar de kermis. Als het niet gaat, zeg je het gewoon, dan brengen ze je terug. Geniet ervan.”
Eenmaal buiten blaast de harde wind direct haar haren in de war. Ze zit wat onderuitgezakt naar rechts. Is dat erg? Ik weet het niet.

“Je zit wat onderuitgezakt”, zeg ik.

“Ja en, is dat erg?” vraagt ze.

“weet ik niet, ik vind het niet erg. Ik duw wel.”

“nou, laat maar hangen dan”, zegt ze

Ik begin er lol in te krijgen.
Even later zet een collega haar toch maar even recht in haar stoel. Dat ziet er inderdaad beter uit. En ze vindt het geloof ik zelf ook wel beter.
Op de kermis is het, zoals het op een kermis is, een takkeherrie.
Ik kan me voorstellen dat dat helemaal niet prettig voor mevrouw is.

“Is die herrie een beetje te doen?”

“Ja hoor” zegt ze tot mijn verbazing.

“Heb je al spijt?”

Ze schudt glimlachend van nee.

“Wil je in de botsauto’s?”

Ze moet lachen.

Een uur of anderhalf later haalt Ingrid een paar grote zakken oliebollen. We lopen in een colonne naar het dorpscentrum om bij Hudson wat te drinken en onze zelf meegebrachte oliebollen op te eten. Ze maken er geen punt van. Alle tafels gaan aan de kant en even later staat het halve café vol rolstoelen en ligt de vloer bezaaid met poedersuiker.
Mevrouw doet vrij lang met haar oliebol. Ze is er enthousiast aan begonnen. Maar hij valt toch een beetje zwaar, geloof ik.

“Wil je je oliebol nog?”, vraag ik. (ik merk dat ik steeds u en je door elkaar gebruik. Ik heb gevraagd of het haar wat uitmaakt. Dat maakt het niet. Nou, dan ga ik maar gewoon zo door)
Ze kijkt naar haar oliebol en dan naar mij. “Wil jij hem?”
Uh… ik kijk naar haar handen en denk “zouden ze schoon zijn?”. Ik kijk naar haar mond en denk zoiets van “zou ze iets besmettelijks onder de leden hebben?” Ik kijk naar haar en dan naar de oliebol en denk: “ik lust ‘m geloof ik wel”. En dus zeg ik “ja”. Ze lacht en geeft mij de halve bol.

Ik moet aan Josine denken, die de afgelopen maanden onderzoek heeft gedaan in Munnekeweij naar relaties tussen bewoners, familie en medewerkers. Één van de aspecten die heel belangrijk zijn is wederkerigheid. Mensen die zorgen onderschatten vaak hoe belangrijk het voor mensen die zorg ontvangen is om iets te kunnen geven. Zoals een oliebol. 

Daniëlle die naast me zit vraagt of ik nog wat poedersuiker wil. Ja, doe maar.
Hij smaakt prima. Hij is nog warm. Ze bakken goede bollen hier in Noordwijkerhout.
Tijdens het drinken van haar cappuccino zie ik mevrouw weer inzakken.

“Gaat het nog?”

Ze kijkt me aan.

“Wordt het tijd om te gaan?”

Ze knikt.

Dan gaan we.

Bij de rekening krijgen we pepermuntjes. Mevrouw wil er wel één. Om te bewaren.
Op de terugweg zien we nog een stukje van de wielerronde. Terug in Munnekeweij vraag ik wat ze wil. Wil ze rusten? Wil ze naar de Tuinkamer? Wil ze weer terug naar de kermis? Dat laatste wil ze niet.

“Was het de moeite waard?”, vraag ik.

Ze knikt nadrukkelijk en zegt volmondig: “ja”.

Nou, dat is dan wederzijds.

Op haar kamer vraag ik of ze moe is en of ze naar bed wil. Dat wil ze wel. Ik ga iemand vragen om haar naar bed te brengen.
Terug op haar kamer zeg ik: “er komt zo iemand bij u”.
Dat lijkt me een zin die je hier vaker hoort.
Ik twijfel wat ik zal doen. Terug naar mijn presentatie voor de OR?
Ik vraag haar of ik nog even bij haar zal blijven.

“Graag.”

Okee. Daar gaat de presentatie voor de OR. Dat kan ik ze wel uitleggen.

We zitten een tijdje zonder iets te zeggen. Ze kijkt me aan en af en toe dwaalt haar blik af.
Ik moet weer aan het onderzoek van Josine denken. Bewoners hebben aangegeven dat ze het fijn vinden als er af en toe iemand gewoon even bij ze is. Zonder dat er iets moet of zonder dat het ergens over moet gaan. Nabijheid noemt Josine dat.
Ik vind het niet ongemakkelijk. Ik zit eigenlijk wel lekker.
Dan zegt mevrouw: “ik hoop dat ik je vaker zie.”
Ik ben ontroerd en ik hoop ook dat ze me vaker ziet.
Ik bedoel daarmee dat ik hoop dat als ik morgen of volgende week weer met m’n hoofd helemaal in m’n werk zit, dat ik dan weet dat zij boven zit, misschien alleen, en dat ze het misschien fijn vindt om me te zien. En dat ik dan niet denk: “ik moet nog dit en ik moet nog dat”, maar dat ik dan even naar haar toe ga.
Dan bedenk ik me dat het pepermuntje dat we bij de rekening kregen nog in haar jaszak zit. Ik haal hem er uit en vraag waar ik ‘m zal laten. Ik vermoed dat het ding anders tot in lengte van dagen in die jaszak zit.

“Wil jij hem hebben?” vraagt ze.

“Bewaar hem maar voor me, dan kom ik ‘m later opeten.”

Lees meer...

De geest is uit de fles – radicaal of niet

#Topaz doet mee aan de beweging #RadicaleVernieuwing Verpleeghuiszorg


Wat is het eerste waar je aan denkt bij het woord radicaal? Iets groots? Iets nieuws? Robots? Een Tesla in de ruimte? Bomgordels?

Ik krijg vaak de vraag: wat levert Radicale Vernieuwing Verpleeghuiszorg nou op? Wat merkt de bewoner er nou van? En als ik dan bijvoorbeeld antwoord: “de bewoner kan nu elke dag een eitje eten in plaats van alleen op dinsdag. En zelfs een zacht gekookt eitje!” Dan is de reactie steevast: ”poeh zeg, dat is lekker radicaal!”

En dan denk ik: klopt! Maar dat moet ik dan wel uitleggen, want dat zijn in eerste instantie weinig mensen met me eens. Het radicale zit niet in het eitje. Dit zachtgekookte eitje op een willekeurige dag in de week is een gevolg van het feit dat we helemaal terug gaan naar het begin. Het woord ‘radicaal’ komt van het Latijnse woord radix dat wortel betekent. (Kennelijk is een wortel wel radicaal en een eitje niet.)

We gaan terug naar de wortel: waartoe zijn wij als zorgorganisatie op aard? Om mensen in leven te houden? Om de maatschappij te beschermen tegen verwarde mensen? Of de verwarde mensen tegen de maatschappij? Of om er te zijn voor mensen die ons nodig hebben, op een manier die aansluit bij wat die mensen nodig hebben. Laten we zeggen: om en nabij dat laatste.

Als dat zo is, wat hebben wij dan te doen? Nou, datgene wat die mensen nodig hebben dus. Wat is dat dan? Dat weet ik niet. Ik ben namelijk niet ‘die mensen’. Ik kan me er wel een voorstelling van maken, maar zoals mijn aannemer altijd zegt ‘assumption is the mother of all fuck-ups’, of in het Nederlands: aanname is de moeder van alle ‘opklotingen’ (vrij vertaald). In een huis-tuin-en-keuken communicatie training krijg je dit voorgeschoteld als NIVEA, wat staat voor: Niet Invullen Voor Een Ander. En toch doen we dat de hele tijd. En niet zo’n klein beetje ook. Ook al zeggen we dat we het niet doen. Let er maar eens op. Met goede bedoeling, hoor! Daar ligt het niet aan... ‘Liefdevol vermorzelen’ noem ik dat.

Maar stel dat we dat nou niet doen, dat invullen voor de ander. Dan kunnen ‘die mensen’ het dus zelf invullen. Vaak met hulp van hun familie, en vaak in overleg met een zorgprofessional en/of een arts. Zorgprofessionals en artsen hebben namelijk een vak en een belangrijk onderdeel van dat vak is dat zij mensen die het zelf niet meer redden helpen uit te vinden hoe zij het wel weer redden en wat daar bij nodig is. Doen we dat laatste goed?

Als je het medewerkers vraagt doen we dat best goed. Als je het bewoners en familie vraagt doen we het aardig, maar minder goed dan medewerkers denken dat we het doen. Ik las pasgeleden in de Review Leidraad Verantwoorde Personeelssamenstelling dat dit komt omdat zorgmedewerkers (en mensen in het algemeen, durf ik wel te stellen) de neiging hebben zichzelf te overschatten. En dat komt omdat we niet weten wat we niet weten. Wist je dat? (De Review is hier te downloaden: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/12/01/review-leidraad-verantwoorde-personeelssamenstelling

Als je dan bewoners en familieleden vraagt wat er beter kan, dan is het antwoord vaak iets in de richting van: “ze zijn heel lief en ze werken heel hard, maar ze hebben te weinig écht aandacht voor me.” Nou denk ik weleens dat wij het woord aandacht interpreteren als ‘lief doen’. Maar dat is niet wat veel bewoners bedoelen. Desgevraagd (heb je het weleens gevraagd?) bedoelen ze: neem me serieus, ga met me om als mens, ik ben net als jij.

Waarom doen we dat dan kennelijk nog niet altijd? Ik denk weleens dat het komt omdat we aan het werk zijn. En dan gedragen we ons als mensen die aan het werk zijn. En niet als mensen die gewoon samen leven met andere mensen. En niet als mensen die thuis zijn. En als wij aan het werk zijn, dan houden we ons aan allerlei werkprocessen en routines. Je moet eens opletten hoe vaak je de zin ‘zo doen we dat’ hoort. En soms komt er nog ‘nou eenmaal’ achteraan. Maar daar waar wij werken wonen en leven de mensen om wie het gaat. Wij gaan na een werkdag weer naar huis. Zij niet. Zij blijven op ons werk. Daar wonen zij. Dat weet iedereen. Maar beseft iedereen het ook echt?

Terug naar de wortel, naar de basis dus. Beginnen met goed in gesprek raken met de mensen om wie het gaat over die dingen die er toe doen. (En dat zijn geen Tesla’s in de ruimte, dat zijn eerder gekookte eitjes op woensdag of welke willekeurige dag dan ook. Of nacht.) En vervolgens: dat doen wat er toe doet. Voor zover mogelijk. Want dat de sky niet the limit is begrijpt iedereen. Maar mensen vragen doorgaans geen onredelijke dingen. Ze vragen of je wilt laten weten dat je de bel gehoord hebt, ook als je niet meteen kunt komen. Ze vragen om meer Hollandse pot en minder nasi. Ze vragen of ze naar buiten mogen (moet je je voorsteen dat je daar om moet vragen in je eigen huis…)

We zijn dit in Topaz Munnekeweij nu ruim een jaar aan het proberen. En we zijn er nog niet eens zo goed in. En toch zie je nu al van alles veranderen. Dat eitje dus, bijvoorbeeld. Dat naar buiten gaan. Vaker samen een spelletje doen. TV via je eigen internet provider, zodat je on demand kunt kijken. Een logeerbed, zodat je als dochter bij je moeder kunt slapen in de laatste week van haar leven. Of als kleinzoon een slaapfeestje kan doen bij opa. En omdat één bed te weinig bleek is er nog een logeerbed gekomen.

En ook: er worden familie avonden georganiseerd. Er vinden nieuwe, andere en vooral meer en bewustere kennismakingsgesprekken met bewoners en familie plaats. Werkoverleggen verlopen anders. Er wordt geëxperimenteerd met een manier om zo goed mogelijk de beleving van bewoners, familie, vrijwilligers en medewerkers in kaart te brengen. En de uitslagen vervolgens met de betrokkenen te bespreken en direct mee aan de slag te gaan (met diezelfde betrokkenen). Er wordt geëxperimenteerd met het zorgdossier.

En wat ik vooral zie op plekken waar iets lukt: er komt een berg positieve energie vrij, die nog veel meer mogelijk maakt. En als je daar als organisatie ruimte en support aan weet te geven, is het niet meer te houden.
De geest is uit de fles. Of je het nou radicaal vindt of niet.

Eva van Zelm
22 juni 2018

Lees meer...
LOC Zeggenschap in zorg - Hof van Transwijk 2, 3526 XB Utrecht - 030 284 3200 - vraagbaak@loc.nl

Veel gestelde vragen | Vraagbaak & feedback

Meer over LOC, lid worden & meedoen